Glooiend tussen Ardense heuvels: bemoste appelbomen, gras en een bloementuin aan de rivier. In een kleine vallei, ingesloten tussen bossen, ligt de camping van Lucille aan de rand van de Semois. Geen internet. Het gras is hier kort en de bomen zijn op één hand te tellen: een camping zo gezellig als ze in België komen. Ondanks de tientallen kinderen is het rustig, zoals Lucille het heeft bedoeld. Haar grootste geluk is de kampeerders blij te zien, zegt ze. Dat lukt aardig: ingesloten tussen hoge bomen droomt haar kleine paradijs ervan om de zorgen van buiten – de kranten, de problemen, de politiek, en de vreemdelingen in het opvangcentrum enkele kilometers verderop – te vergeten. Al is het maar voor even. Lucille zelf is oud, fijn, en zacht en hard tegelijk. Haar man rijdt af en aan op zijn brommer wanneer hij klusjes doet voor zijn vrouw. ‘Magnifique, Charlie!’ exclameert ze wanneer hij de patatjes brengt.
Overdag
staren de kampeerders naar het leven van alledag, dat er nergens in slaagt zo
triviaal te zijn als hier. Om elf uur ‘s ochtends op donderdag maait de meneer
van op het eerste terras het gras rond zijn stacaravan. Zijn vrouw, dochter en
twee honden liggen binnen nog te slapen. Maar het gras moet gemaaid, ook
wanneer je aan het kamperen bent. Twee uurtjes later is het de beurt aan de buurman.
Het leuke aan kamperen blijkt dat je er net hetzelfde kan doen als thuis. Al
gebeurt er ook al eens iets onverwachts. Zoals toen de meneer van de stacaravan
net aan de rivier een aanvaring had met een everzwijn. Dat heb je wanneer je
visvoer laat rondslingeren in een emmer waar een everzwijnensnuit wel in kan
maar niet uit. Of het groepje vriendinnen uit de stad dat het brood niet goed
had weggestoken ‘s nachts. Marters, vossen, everzwijnen. ‘Houd de deur dicht
voor de zwaluwen’. Lucille bezweert iedereen hier dat ze op een nachts zelfs
een wasbeer heeft gezien.
Zo gezellig
als het voor de kampeerders is, zo zwaar lijkt deze gemoedelijke microkosmos
voor Lucille te zijn. Dik in de zestig heeft ze deze nacht geen oog dichtgedaan
omdat een van de koeien moest bevallen. Haar bloementuin, haar moestuin, haar
café waar je een goedgeschonken Orval kan krijgen – tenminste wanneer ze niet
met iets anders bezig is. Aan de muur in de living hangt een herinnering aan
veel vroeger, aan toen de wereld hier nog helemaal anders was. Een enorme
hertenschedel, het gewei zeker twee meter groot. Geschoten door haar grootvader
in november ’45. Heel de familie heeft ervan gegeten, en het dorp ook. Lucille heeft
hier altijd gewoond (behalve die twee jaar toen ze met Charlie in Afrika zat) -
in haar molen die nu een camping is. Hier gaat ze nooit meer weg: haar handgemaakte
universum waar iedereen er wonderwel in slaagt om met elkaar te praten en
tevreden te zijn. Van de buitenwereld hoeven ze hier niet teveel te weten, het
leven is al erg genoeg. In verre landen slaan de bommen in en crasht een
passagiersvliegtuig in oorlogsgebied. Maar hier is de oorlog gelukkig voorbij.
Al is dat ook weer niet zo lang geleden.